Zoals belooft in een ander topic, zal ik een uitleg geven over hoe je de herkomst van een viool kunt herleiden.
Markneukirchen en Schönbach/Luby.
Violen uit de Vögtland regio waartoe deze 2 plaatsen onder vallen zijn identiek aan elkaar daarom spreekt men ook wel over een Boheemse viool afgeleid naar de historische Tsjechië regio.
De methodes die ik hieronder beschrijf zijn enkel van toepassing op instrumenten gemaakt voor de 2e wereldoorlog aangezien veel mensen na de oorlog zich verplaatsten naar de Mittenwald regio waar een totaal andere methode werd toegepast. Daarom vind men violen van na de oorlog uit Mittenwald die eigenlijk hetzelfde zijn als vooroorlogse Schönbach/Markneukirchen violen.
Constructie methode:
Geen mal. Later gebruikte men pas een mal.
Hoekklos
Geen of cosmetisch een houten plaatje in de onderste hoeken om de kijker te foppen, de 2 bovenste hoeken waren niet nodig want die kun je niet door de F gaten zien. Men deed dit omdat er geen klossen gebruikt werden bij een constructie zonder mal. Indien er later klosjes geplaatst werden dan hebben deze een gelijkbenige driehoek als vorm

Ribben
De ribben werden extra lang gehouden zodat hier een klem op kon waarna de uiteinden werden afgekort, dit resulteert in uiteinden die gelijk/haaks lopen met de puntjes. De boven- en onderbladen steken dus niet of vrijwel niet uit bij de uiteinden van ribben! Door deze methode zijn de uiteinden van de ribben precies in het midden op elkaar.

Krul
De cannelure of steking (Engels: fluting) stopt in de keel precies op 6 uur, hij gaat dus niet helemaal diep door.
De achterkant van de krul vertoont vaak een kleine delta (hondenneus) aan het einde van de cannelure.
De ruimte waar de stemsleutels in zitten is vaak zwart gebeitst. Na de 2e wereldoorlog komt dit aanzienlijk minder vaak voor.

F gaten
De randen aan de binnenkant van de F gaten zijn zwart gebeitst.
Lijmranden
Lijmranden zijn lopen niet door in de klosjes (indien aanwezig)

Boven/Achterblad
Het bovenblad heeft vaak een geïntegreerde zang- of basbalk. Later gebruikte men zangbalken die gelijmd moesten worden omdat de bladen toen met een router op maat gemaakt werden.
Inleg
De inleg is vaak niet helemaal zwart omdat de verf niet diep genoeg is doorgedrongen. Dit geeft dan een grijs/wit/grijze kleur als inleg.
Mijn demo-viool heeft dit niet dus heb ik een foto van een andere viool gevonden die het wel heeft.

Mittenwald
Constructie Methode
Binnenmal
Hoekklos/Lijmranden
De lijmranden lopen met een punt door in de hoekklos en zijn gemaakt van vurenhout. Zie foto's hieronder bij "ribben":
Ribben
De ribben komen niet samen bij de eindknop/eindpin maar lopen door, de rib bestaat dus uit 1 stuk en komen pas samen bij de onderste hoekjes/puntjes. Om het midden te vinden zit er een kleine inkerving in de rand van het achterblad. Het doorlopen van de ribben bij de eindknop is zeker geen eigenschap die enkel violen uit Mittenwald toebehoort, Franse violen uit de 18e en begin 19e eeuw kunnen dit ook hebben! De Cremonese makers gebruikten ook een doorlopende onderste rib.

De uiteinden van de lange ribben zijn langer dan die van de 2 kleine ribben bij de C ronding. Het gevolg hiervan is dat de naad bij de C ronding zit en niet exact in het midden van de 2 ribben zoals wel het geval is bij violen uit de Schönbach/Markneukirchen regio. Dit is helaas moeilijk uit te leggen maar hopelijk spreken de foto's voor zich.
(C ronding = de smalle gedeeltes van de viool waar de strijkstok tussen loopt)

Krul
Het sleutelhuis is veelal gelakt in dezelfde kleur als de rest van de viool. De vorm van de krul vanuit het zijaanzicht is veelal "bol" met een veelal uitgesproken "voor- en achterhoofd". Het is net alsof het hoofd van de krul een beetje voorover is gedoken, zoals een persoon die aan het knikkebollen is.
Een goed voorbeeld zijn de krullen naar Klotz, echter zijn dat overdreven voorbeelden, de Mittenwalder krul kan tevens veel subtieler zijn die veel smaller is.
De chamfer/randen van de krul zijn klein en scherp terwijl die uit de Schönbach/Markneukirchen regio wat platter/afgerond zijn.

Mirecourt
Constructie methode
Binnenmal en Buitenmal.
Hoekklos
Ribben
Zeer regelmatig en symmetrisch, de overhang is overal exact gelijk, men zou de bladen met elkaar kunnen verwisselen en het zou nog perfect op elkaar passen.
Krul
Lijmranden
Inleg
Boven/Achterblad
De bladen (mits uit 2 delen) zijn vrijwel altijd verstevigd met diamantjes/blokjes in het midden. De Franse makers staan er om bekend dat ze lijm gebruikten die heel vloeibaar is wat ervoor kan zorgen dat na verloop van tijd de bladen ietwat los kunnen komen van elkaar, dit is zichtbaar door een brede naad of een uitstulping in het midden. Ik heb al veel Franse/Mirecourt violen voorbij zien komen met dit euvel. Ook toetsen zitten vaak los. Dit is niet specifiek een bouwstijl maar wel een eigenschap en daarom wel iets om op te letten.
Markneukirchen en Schönbach/Luby.
Violen uit de Vögtland regio waartoe deze 2 plaatsen onder vallen zijn identiek aan elkaar daarom spreekt men ook wel over een Boheemse viool afgeleid naar de historische Tsjechië regio.
De methodes die ik hieronder beschrijf zijn enkel van toepassing op instrumenten gemaakt voor de 2e wereldoorlog aangezien veel mensen na de oorlog zich verplaatsten naar de Mittenwald regio waar een totaal andere methode werd toegepast. Daarom vind men violen van na de oorlog uit Mittenwald die eigenlijk hetzelfde zijn als vooroorlogse Schönbach/Markneukirchen violen.
Constructie methode:
Geen mal. Later gebruikte men pas een mal.
Hoekklos
Geen of cosmetisch een houten plaatje in de onderste hoeken om de kijker te foppen, de 2 bovenste hoeken waren niet nodig want die kun je niet door de F gaten zien. Men deed dit omdat er geen klossen gebruikt werden bij een constructie zonder mal. Indien er later klosjes geplaatst werden dan hebben deze een gelijkbenige driehoek als vorm

Ribben
De ribben werden extra lang gehouden zodat hier een klem op kon waarna de uiteinden werden afgekort, dit resulteert in uiteinden die gelijk/haaks lopen met de puntjes. De boven- en onderbladen steken dus niet of vrijwel niet uit bij de uiteinden van ribben! Door deze methode zijn de uiteinden van de ribben precies in het midden op elkaar.

Krul
De cannelure of steking (Engels: fluting) stopt in de keel precies op 6 uur, hij gaat dus niet helemaal diep door.
De achterkant van de krul vertoont vaak een kleine delta (hondenneus) aan het einde van de cannelure.
De ruimte waar de stemsleutels in zitten is vaak zwart gebeitst. Na de 2e wereldoorlog komt dit aanzienlijk minder vaak voor.

F gaten
De randen aan de binnenkant van de F gaten zijn zwart gebeitst.
Lijmranden
Lijmranden zijn lopen niet door in de klosjes (indien aanwezig)

Boven/Achterblad
Het bovenblad heeft vaak een geïntegreerde zang- of basbalk. Later gebruikte men zangbalken die gelijmd moesten worden omdat de bladen toen met een router op maat gemaakt werden.
Inleg
De inleg is vaak niet helemaal zwart omdat de verf niet diep genoeg is doorgedrongen. Dit geeft dan een grijs/wit/grijze kleur als inleg.
Mijn demo-viool heeft dit niet dus heb ik een foto van een andere viool gevonden die het wel heeft.

Mittenwald
Constructie Methode
Binnenmal
Hoekklos/Lijmranden
De lijmranden lopen met een punt door in de hoekklos en zijn gemaakt van vurenhout. Zie foto's hieronder bij "ribben":
Ribben
De ribben komen niet samen bij de eindknop/eindpin maar lopen door, de rib bestaat dus uit 1 stuk en komen pas samen bij de onderste hoekjes/puntjes. Om het midden te vinden zit er een kleine inkerving in de rand van het achterblad. Het doorlopen van de ribben bij de eindknop is zeker geen eigenschap die enkel violen uit Mittenwald toebehoort, Franse violen uit de 18e en begin 19e eeuw kunnen dit ook hebben! De Cremonese makers gebruikten ook een doorlopende onderste rib.

De uiteinden van de lange ribben zijn langer dan die van de 2 kleine ribben bij de C ronding. Het gevolg hiervan is dat de naad bij de C ronding zit en niet exact in het midden van de 2 ribben zoals wel het geval is bij violen uit de Schönbach/Markneukirchen regio. Dit is helaas moeilijk uit te leggen maar hopelijk spreken de foto's voor zich.
(C ronding = de smalle gedeeltes van de viool waar de strijkstok tussen loopt)

Krul
Het sleutelhuis is veelal gelakt in dezelfde kleur als de rest van de viool. De vorm van de krul vanuit het zijaanzicht is veelal "bol" met een veelal uitgesproken "voor- en achterhoofd". Het is net alsof het hoofd van de krul een beetje voorover is gedoken, zoals een persoon die aan het knikkebollen is.
Een goed voorbeeld zijn de krullen naar Klotz, echter zijn dat overdreven voorbeelden, de Mittenwalder krul kan tevens veel subtieler zijn die veel smaller is.
De chamfer/randen van de krul zijn klein en scherp terwijl die uit de Schönbach/Markneukirchen regio wat platter/afgerond zijn.

Mirecourt
Constructie methode
Binnenmal en Buitenmal.
Hoekklos
Ribben
Zeer regelmatig en symmetrisch, de overhang is overal exact gelijk, men zou de bladen met elkaar kunnen verwisselen en het zou nog perfect op elkaar passen.
Krul
Lijmranden
Inleg
Boven/Achterblad
De bladen (mits uit 2 delen) zijn vrijwel altijd verstevigd met diamantjes/blokjes in het midden. De Franse makers staan er om bekend dat ze lijm gebruikten die heel vloeibaar is wat ervoor kan zorgen dat na verloop van tijd de bladen ietwat los kunnen komen van elkaar, dit is zichtbaar door een brede naad of een uitstulping in het midden. Ik heb al veel Franse/Mirecourt violen voorbij zien komen met dit euvel. Ook toetsen zitten vaak los. Dit is niet specifiek een bouwstijl maar wel een eigenschap en daarom wel iets om op te letten.
Bijlagen
-
cosmetische_klos.jpg128,6 KB · Weergaven: 164 -
inleg.jpg248,8 KB · Weergaven: 208 -
lijmranden.jpg189,8 KB · Weergaven: 177 -
rib_mittenwald.jpg295,6 KB · Weergaven: 175 -
krul1.jpg734,5 KB · Weergaven: 193 -
ribben.jpg365,9 KB · Weergaven: 162 -
ribben_mittenwald.jpg215,6 KB · Weergaven: 168 -
mittenwald_krul.jpg408,9 KB · Weergaven: 143













